8 Het sociale leven

Er zijn diverse factoren, die het sociale leven in een stad bepalen, zoals:

8.1 De arbeidsduur 26)

†In de laatste kwart eeuw na het beleg van Leiden maakte de stedelijke overheid geen algemene regels ten aanzien van de arbeidsduur. De ondernemers werden daarin aanvankelijk geheel vrij gelaten. In de oude draperie werden de grenzen van de arbeidsduur aangegeven door de vesperklok. Door de verminderde invloed van het katholicisme is deze regel verdwenen.
In 1591 werd een dagklok geluid, die het begin en het eind van de werkdag aangaf. Achteraf is niet meer nauwkeurig na te gaan hoe lang de arbeidsduur van de verschillende beroepsgroepen is geweest. Uit de schaarse gegevens is wel op te maken dat werkdagen van 13 tot 14 uur geen uitzondering waren.
Voor kinderen en leerjongens gold de bepaling dat zij niet voor 5 uur 's morgens of na 9 uur 's avonds mochten werken.

8.2 De vrouwenarbeid 27)

De deelname van de vrouw aan het arbeidsproces in de textielindustrie is steeds zeer groot geweest. Uit een telling in 1581 bleek, dat de verhouding van het aantal mannen en vrouwen in de textielindustrie ongeveer 2:1 is geweest. De vrouwen waren meestal werkzaam als kamsters, spinsters, wiedsters, pluisters en nopsters. Zij verrichten in het algemeen die werkzaamheden, die bij hen thuis konden worden gedaan.

8.3 De kinderarbeid 28)

In het begin van de zeventiende eeuw was voor het eerst op grote schaal sprake van kinderarbeid. Zij werden voornamelijk tewerkgesteld bij het spinnen, het kaarden, het spoelen en het weven. Onder die kinderen waren er veel, die door het Weeshuis werden verhuurd. Zij werden ook uit de armen weeshuizen uit omringende steden gerecruteerd. Verder kwamen veel kinderen, die niet bij hun vader thuis konden werken, in de textielindustrie terecht.
De weeklonen van de kinderen uit de weeshuizen moesten meestal aan deze tehuizen worden afgedragen. In veel gevallen werden de kinderen vanaf hun zesde jaar reeds in de textiel tewerkgesteld.

8.4 Kosten van levensonderhoud

In een uitvoerige studie heeft Posthumus 29) het prijsverloop tussen 1575 en 1700 onder-zocht, hoofdzakelijk aan de hand van rekeningen van het St.Katrijnen Gasthuis en van het Weeshuis. Waar nodig zijn deze gegevens aangevuld met prijzen uit de registers van andere Leidse gestichten. Ter wille van de overzichtelijkheid zijn die prijzen gerubriceerd in 5 verschillende rubrieken t.w.:
groep 1 voedingsmiddelen
groep 2 vuur en licht
groep 3 zeep en dergelijke
groep 4 kleding
groep 5 huishuur.
Aan de hand van de prijzen van een groot aantal levensbehoeften zijn vervolgens bij benadering indexcijfers voor de kosten van levensonderhoud bepaald. Met behulp van deze indexcijfers kunnen vervolgens de lonen worden getoetst. Posthumus heeft al deze gegevens uitgewerkt en is tot de volgende verhoudingsgetallen voor de kosten van levensonderhoud gekomen:

voedingsmiddelen

60%

Vuur en licht

8%

Zeep en dergelijke

5%

kleding

7%

huishuur

20%

totaal

100% 30)

De indexcijfers van het totale levensonderhoud zijn in tabel 4 van par. 8.5 verwerkt 31).

8.5 De arbeidslonen

Gegevens over de lonen in de textielindustrie zijn over de periode 1575-1700 bijna niet voorhanden. Alleen van spinsters, ververs en vollers zijn enkele schaarse gegevens bekend. De moeilijkheid daarbij 'is dat de lonen genoteerd staan in aantallen stuks laken of in ponden. Hierdoor is een vergelijking met de ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud vrijwel onmogelijk.
Wel beschikt men over gegevens van arbeiders in dienst van de overheid, zoals timmerlieden, metselaars, opperlieden en straatmakers. Posthumus heeft de gegevens van deze beroepsgroepen in een tabel samengevat 32).

Tabel 4 geeft een verkorte weergave van deze tabel. Ter wille van een goed vergelijk tussen lonen en levensonderhoud zijn de indexen van deze groepen voor 1585 op 100 % gesteld.

jaar

timmerman

metselaar

opperman

straatmaker

index levens onderhoud

 

loon

index

loon

index

loon

index

loon

index
 

f.

%

f.

%

f.

%

f.

%

1580-84

0,58

100

0,48

100

0,38

100

0,55

100

100

1590-94

0,63

108

0,70

146

0,44

117

-

-

133

1600-04

0,68

117

0,70

146

-

-

-

-

155

1610-14

0,80

138

0,90

188

0,58

153

0,90

164

165

1620-24

0,93

160

0,95

198

0,58

153

1,00

182

175

1630-34

1,01

174

0,95

198

0,59

156

1,12

204

201

1640-44

1,03

178

1,08

225

0,65

171

1,24

225

221

1650-54

1,03

178

1,08

225

0,65

171

1,20

218

250

1660-64

1,03

178

1,08

225

0,65

171

1,20

218

236

1670-74

1,03

178

1,08

225

0,68

179

1,20

218

219

1680-84

1,03

178

1,08

225

0,75

198

1,15

210

194

1690-94

1,03

178

1,08

225

0,78

205

1,15

210

198

Table 4 Daglonen van arbeiders in stedelijke dienst

Bij het vergelijken van de loonbeweging in de loop van de tijd met die van de kosten van levensonderhoud, moet er rekening mee worden gehouden dat de arbeidslonen in 1580 belangrijk achter waren gebleven bij de prijsstijgingen. Opvallend is dat de loonstijging van de verschillende beroepsgroepen niet dezelfde is. De metselaars gingen er het meest op vooruit, terwijl de timmerlieden duidelijk achter bleven. Waarom dit is, is niet bekend. Ongetwijfeld zal de situatie op de bouwmarkt hierop van invloed zijn geweest. Uit par. 6.2 blijkt dat de grootste bouwactiviteit plaats vond tussen 1611 en 1644. Die periode valt samen met een algemene verhoging van de lonen in alle beroepsgroepen van de bouwnijverheid.

8.6 De huisvesting 33)

Over het huizenbestand, de woonvormen en de constructie van de huizen zijn genoeg gegevens bekend om een beeld te krijgen van de ontwikkeling op stedenbouwkundig gebied.
Van Oerle 34) heeft daarover uitvoerig geschreven. In de pre-stedelijke tijd waren de huizen vrij willekeurig geprojecteerd en waren primitief van constructie. Zij waren opgebouwd uit een houten vakwerkconstructie, opgevuld met klei gemengd met riet en afgedekt met een rieten dak.
Naarmate de bebouwingsdichtheid groter werd en de stedelijke overheid invloed ging uitoefenen op de huisvesting, werden er strengere regels gemaakt ten aanzien van met name de brandveiligheid.

Vanaf 1444 is de ontwikkeling van de huizenbouw in Leiden aan de hand van archiefstukken goed te volgen. In dat jaar werd door de stedelijke overheid een subsidie verstrekt voor het dekken van de daken door pannen of leien. Ook werd een keur uitgevaardigd, dat huizen met een zijgevel van meer dan 4,40 m een 'hard dak' moesten hebben. In 1447 werd deze keur verscherpt door de bepaling dat geen huis hoger dan 2,90 m zonder 'hard dak' mocht worden gebouwd. Ook bij renovatie golden deze regels. In 1450 werd bepaald dat huizen van stenen gevels moesten worden voorzien. Bovendien moesten de huizen uit het oogpunt van brandveiligheid van een stenen schoorsteen worden voorzien 35).

De eerste nauwkeurige gegevens over het aantal woningen zijn te vinden in de volkstelling van 1581. Daaruit bleek dat er toen 2687 huizen waren. De groei van het aantal huizen in daarop volgende jaren is door verschillende onderzoekers afgeleid uit diverse fiscale gegevens. Zo zou in 1633 uit het verpondingsregister blijken, dat de toename van het aantal huizen ten opzichte van 1581 133 % bedroeg. Dus meer dan een verdubbeling in een periode van ruim 50 jaar.

Textielondernemers en textielarbeiders woonden uitsluitend in bepaalde textielwijken. Daarvan geeft Tialsma 37) uitgebreide informatie aan de hand van de volkstellingen in 1581, 1749 en 1815. Daaruit bleek dat ook de textielondernemers in de textielwijken woonden, zij het in de betere straten en grachten in die wijk, zoals de Hogewoerd, de Herengracht en de Oude Singel. Zij woonden gescheiden van de textielarbeiders, maar ook gescheiden van de stedelijke elite. Deze laatsten woonden vooral op de Breestraat en het Rapenburg. Tot ver in de negentiende eeuw woonden de meeste textielondernemers direct bij hun fabrieken.
Textielwijken zijn vooral te vinden in de voorstad Hogewoerd, in de Waard en in het Marendorp, zie in resp. de wijken 3, 7 en 6 van fig. 15. Na de tweede stadsuitbreiding tussen 1611 en 1659 woonden de geÔmmigreerde textielwerkers hoofdzakelijk in de wijken 5 en 8 van fig. 15.

Fig. 15 Schematische plattegrond van Leiden omstreeks 1659 Overzicht van de textielwijken

De grootte van de huishoudens was aan het eind van de zestiende eeuw betrekkelijk gering. Gemiddeld bedroeg deze 3 ŗ 4 personen. Tijdens de immigratiestroom aan het eind van de zestiende eeuw werden ook veel woningen door meerdere huishoudens bewoond.
De benedenverdieping of het achterhuis werd dikwijls als werkplaats gebruikt. Daar stonden de weefgetouwen en spinnewielen opgesteld voor hen, die in de textielnijverheid werkten.

8.6.1 De woondichtheid

Onder de woondichtheid wordt verstaan het aantal huizen per eenheid van oppervlakte, meestal uitgedrukt in aantal huizen per ha. Van Oerle 38) heeft aan de hand van gegevens uit de volkstelling van 1581 en diverse registers van de belastingen in resp. 1585, 1601, 1606, 1622, 1632, 1644 en 1659 de woondichtheid berekend van de diverse stadsdelen, waaruit Leiden was opgebouwd. In 1581 bedroeg de gemiddelde dichtheid over de gehele stad gerekend 29 huizen per ha. Enkele jaren later (in 1585) was dit opgelopen tot 35 huizen per ha. In 1632 bedroeg naar het Verpondingsregister van dat jaar de gemiddelde woondichtheid 67 huizen per ha.

Er zijn geen gegevens bekend over de woondichtheid in de pre-stedelijke periode. Ongetwijfeld had Leiden toen een landelijk karakter. Dit veranderde door de sterke bevolkingstoename tussen 1440 en 1500.
Deze toename (zie Tabel 1 Nieuw-ingekomen poorters te Leiden ingedeeld naar herkomst) werd eerst opgevangen door de open ruimten aan de straten vol te bouwen, zodat er gesloten straatwanden ontstonden.
Een volgende mogelijkheid was het ontsluiten van de binnenterreinen door deze vanaf de straat door 'poorten' bereikbaar te maken. Deze oplossing heeft echter de krotvorming onder de huizen sterk in de hand gewerkt.
De sterke toestroom van immigranten aan het begin van de zeventiende eeuw werd grotendeels opgevangen door uitbreiding in noordelijke en oostelijke richting zoals aangegeven in fig. 15, de wijken 5 en 8.
De uitbreiding van 1611 had een dichtheid van 53 huizen per ha. De uitbreiding van 1644 had een dichtheid van 38 huizen per ha en die van 1659 bedroeg gemiddeld 65 huizen per ha.

8.6.2 De woonvormen

Deze tegenstelling tussen arm en rijk komt nergens beter tot uiting van in hun woonhuizen. Van Oerle 39) heeft dit duidelijk gedemonstreerd door enerzijds een patricierswoning aan de Rapenburg te beschrijven en anderzijds een arbeiderswoning op de binnenplaats van het voormalige klooster van de Grauwe Zusters.
Zoals reeds eerder is opgemerkt ontstond na het beleg in 1574 grote behoefte aan meer woonruimte. Het vergroten van de huisvestingsmogelijkheden werd niet alleen bereikt door het bouwen van meer woningen, maar ook door het vergroten van de bestaande huizen, met name die waarin ook beroepen werden uitgeoefend. De vergroting werd verkregen door deze huizen naar achteren uit te breiden of met een of meer verdiepingen te verhogen.
Een voorbeeld van zo'n vergroting is het woonhuis aan de Rapenburg 65 (zie fig. 16). In de zestiende eeuw was begonnen met een eenvoudige L-vormige woning. In het begin van de zeventiende eeuw werd deze naar achteren en naar boven uitgebreid om vervolgens in 1749 nogmaals te worden vergroot. Zulke huizen konden uiteraard alleen door welgestelde burgers worden bewoond.

In schril contrast daarmee is de arbeiderswoning volgens fig. 17. Deze huizen waren ontworpen als rug-aan-rug woningen.Deze huizen hadden een vloeroppervlak van ca. 24 m~2. Op de begane grond waren deze huizen in tweeŽn gedeeld. In de rechterdeel bevond zich het voorhuis en links de woorkeuken. In de woonkeuken en op de zolder bevond zich een bedstede. In het voorhuis was een weefgetouw geplaatst. Het gezin woonde in de keuken. De ouders sliepen in de bedstede van de keuken en de kinderen op zolder

Fig. 16 Voorbeeld van vergroting van het patriciershuis aan de Rapenburg 65

Fig. 17 Voorbeeld van een arbeiderswoning

8.6.3 De huishuren 40) 41)

Volgens Oerle 42) geeft het register "Vetus" een volledig inzicht in de huurprijzen voor het jaar 1585. Daaruit blijkt dat voor het grootste deel van de woningen de jaarhuren varieerden van 0 tot 100 gulden. Een derde deel van de huren had een hogere waarde en een-achtste deel had een waarde van meer dan het dubbele. Het gemiddelde bedrag van de huren bedroeg 13,20 gulden per jaar. De huurstijgingen volgden in het algemeen de stijging van het levensonderhoud, maar werd tevens beÔnvloed door de woningnood als gevolg van de immigratie. De stijgende lijn van de huurprijzen werd onderbroken toen in 1611 begonnen werd met de eerste stadsvergroting. Daarvůůr stegen de huurprijzen tot het drievoudige van 1585 en bleven na 1611 vrijwel constant tot 1644.
Aan de hand van de registers van het Weeshuis en van het St.Elisabeth Gasthuis heeft Posthumus een overzicht gemaakt van de huishuren tussen 1575 en 1700. Een samenvatting daarvan is weergegeven in tabel 5.

jaar

Huishuren varierend
Van ... tot ...
in Fl.

jaar

Huishuren varierend
Van ... tot ...
in Fl.

1580-'64

10 - 42

1640-'44

 44 - 152

1590-'94

32 - 38

1650-'54

60 - 135

1600-'04

20 - 84

1660-'64

50 - 250

1610-'14

20 - 88

1670-'74

24 - 180

1620-'24

54 - 120

1680-'84

26 - 110

1630-'34

42 - 152

1690-'94

30 - 110

Tabel 5 De huurprijzen van 31 woningen in guldens per jaar

8.7 Het milieu

Ook de Middeleeuwen kende zijn eigen problemen tengevolge van de vervuiling van het water, de lucht en de straten 43). De strijd tegen de stedelijke vervuiling was een voortdurende bron van zorg voor de stedelijke overheid.

Ten eerste betrof dit de afvoer van het huisvuil en dat van de agrarische bedrijven. In 1407 werd de eerste vuilnisman aangesteld. Er werden toen vuilnisputten gemaakt en voorschriften (z.g. keuren) uitgevaardigd tegen het wegwerpen van as en huisvuil. De vuilnisman moest de inhoud van die putten per kruiwagen en schuit afvoeren.
De grootste vervuiler was echter de industrie. Alle sloten en grachten waren open riolen, waarin niet alleen de fecaliŽn van mens en dier werden afgevoerd, maar ook het afvalwater van de industrieŽn. Dit water werd ook voor de consumptie gebruikt met alle gevolgen van dien voor de volksgezondheid.

Door het opbloeien van de industrieŽn, met name van de lakenindustrie, werd dit probleem steeds nijpender. De stedelijke overheid heeft geprobeerd door allerlei maatregelen dit probleem in de hand te houden. Zo werd in 1583 een keur gemaakt dat geen hete as in de vuilnisputten of in het water mocht worden gestort. Streng werd opgetreden tegen het werpen van dode dieren in de grachten. Toch hielp dit alles maar weinig. Ter bestrijding van deze problemen bracht Jan van Hout in 1591 een rapport uit betreffende "de middelen tot het wechnemen van het bederf der wateren deur die Vollerijen.in de Stad Leyden veroorsaekt". In dat rapport wordt voorgesteld om alle vollerijen op ťťn plaats samen te brengen. Hiervoor werd de wijk Marendorp aanbevolen. Daar was gelegenheid, om het vervuilde water direct in het buitenwater te lozen. De Donkere Gracht zou dan de centrale lozing worden met aan het einde een paarden- of rosmolen met scheprad, die het vervuilde water in de vestgracht moest uitmalen. Het was een ambitieus plan maar vergde grote investeringen. Door de opbloeiende industrieŽn viel hieraan niet te ontkomen. Dit plan is dan ook, met enkele varianten, in principe uitgevoerd.
In 1596 werd met een stalhouder een overeenkomst gesloten om, tegen een beloning van 300 gulden, driemaal per week gedurende de zomer en tweemaal per week in de winter het gebied leeg te pompen en te verversen.

Een andere oplossing was om aan de overzijde van de vestgracht tussen de Mare en de Zijlpoort een singel aan te leggen en daaraan de,vervuilende industrieŽn te projecteren, die dan hun afvalwater direct in de singelsloot konden lozen. Die singel werd in 1598 aangelegd en dit werd het begin van het verwijderen van de vervuilende industrieŽn uit de binnenstad.

9 Het kerkelijk leven

Twee belangrijke gebeurtenissen van internationaal belang hebben hun stempel gezet met het godsdienstige leven van de stad Leiden in de late Middeleeuwen en de zeventiende eeuw n.l. de Reformatie en de vluchtelingenstroom uit de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk.
De twee vluchtelingenstromen in 1582 en 1685 hebben belangrijke veranderingen teweeggebracht in het kerkelijk leven van Leiden. Met name de vluchtelingen na 1582 zorgden voor grote veranderingen. Het waren uitsluitend Franstalige personen, die het Nederlands niet beheersten. Zij hadden grote behoefte aan kerkdiensten in hun eigen taal. Het was een gelukkige omstandigheid dat door de aanwezigheid van de Leidse Universiteit en het feit dat het Frans in die periode de tweede landstaal was, dat er reeds in 1575 predikdiensten werden gehouden in het Frans. Daar sloten veel protestante Walen zich bij aan en daaruit ontstond al spoedig de Waalse Kerk.

9.1 De Waalse Kerk te Leiden 44)

Het jaar 1584 wordt officieel als oprichtingsjaar van de Waalse Gemeente van Leiden genoemd. In dat jaar emigreerde een grote groep Waals Hervormden met hun predikant Jacques De La Dreve vanuit Brugge naar Leiden. Oorspronkelijk kwamen zij uit de streken van Artois, Henegouwen, Luik en Namen. Zij waren in 1578 naar Brugge vertrokken toen deze stad zich aansloot bij de Unie van Utrecht.
In dat jaar (1584) kreeg de Franstalige gemeente van Leiden plotseling een grote uitbreiding. Om die gemeente goed te besturen werden toen 4 ouderlingen en 4 diakenen aangesteld. En daarmee was de Waalse Gemeente van Leiden een feit. Het aantal gemeenteleden bedroeg toen 425 personen. De stedelijke overheid van Leiden zorgde voor een kerkgebouw. Als gevolg van de Reformatie waren toen verscheidene kerken buiten gebruik. Aan de Waalse Gemeente werd de Onze-Lieve-Vrouwekerk toegewezen.
In de loop van de zestiende en de zeventiende eeuw nam het aantal leden steeds verder toe en groeide uit tot meer dan 1000 leden. De O.L. Vrouwekerk werd weldra te klein en moest al spoedig worden verbouwd. Deze verbouwing vond plaats in 1627.
In het begin van de zeventiende eeuw mocht de Waalse Gemeente ook gebruik maken van de kapel in het Catharinagasthuis. Tot 1573 werden er in deze kapel missen gehouden ten behoeve van de bewoners van het gasthuis. Ook deze kapel werd al spoedig te klein, zodat in 1635 de kerkzaal werd vergroot door naast de kerkzaal een tweede beuk te bouwen,die even groot was als de bestaande ruimte.

In 1639 werd door het stadsbestuur in de Walen.-wijk een nieuwe kerk gebouwd: de Mare-kerk. Tot teleurstelling van de Walen was deze kerk niet uitsluitend voor hen bestemd. Zij mochten er alleen in beperkte mate gebruik van maken.

De komst van de Hugenoten in 1685 had voor Leiden geen grote invloed op de bevolkingstoename. Het totaal aantal leden van de Waalse Gemeente groeide in die tijd met ongeveer 100 personen. Vergeleken met het totale aantal van 5000 stelde die toename niet veel voor.
Na 1700 begint de Leidse Waalse Gemeente in omvang af te nemen. Enkele tientallen jaren later was het aantal leden gedaald tot 2000 en aan het eind van de achttiende eeuw telde de kerk nog maar 600 leden.

10 Samenvatting

Uit het stamboom-onderzoek is gebleken dat de voorouders van de familie Colpa/Kolpa in de eerste helft van de zeventiende eeuw vanuit ArmentiŤres in Noord-Frankrijk naar Leiden zijn getrokken en zich daar definitief hebben gevestigd. Het doel van deze bijdrage is om een beeld te schetsen van de leefwereld, waarin onze voorouders zich bevonden, zowel ten aanzien hun geboortegrond als van hun nieuwe woonplaats. Tevens is getracht uit de politieke en maatschappelijke omstandigheden te distilleren, waarom zij toen zijn gemigreerd.

In par.2 wordt aandacht besteed aan de staatkundige verhoudingen in de zestiende en de zeventiende eeuw. Van belang daarbij is te zien hoe door diplomatieke huwelijken en door oorlogen een aantal grote staten zijn ontstaan. Vooral de vele oorlogen tussen de staten onderling hebben tot een constante stroom van volksverhuizingen geleid. Maar ook de vele opstanden van de onderworpen graafschappen en hertogdommen hadden een belangrijke invloed op het leven van de burgers in die tijd.
In het kader van onze familie-geschiedenis is het jaar 1582 in dit verband van groot belang. Toen vond de opstand plaats van de Nederlanden tegen Spanje. In die tijd was het Zuidelijk deel van Vlaanderen, waarin ook, ArmentiŤres ligt, een belangrijk centrum van de textielnijverheid met Hondschoote als voornaamste plaats. Daaraan kwam door de strijd tegen Spanje abrupt een einde. In dat jaar werd Hondschoote en omgeving platgebrand en geplunderd. En daarmee verdween voor lange tijd de eens zo bloeiende textielnijverheid.

Als nieuwe woonplaats werd Leiden uitgekozen, omdat zich daar ook een grote textielindustrie bevond, die echter in een malaise verkeerde. Doch de vakkennis was daar volop aanwezig. De Leidse neergang van deze industrie werd voornamelijk veroorzaakt door het feit dat de producenten van het Leidse laken niet met hun tijd meegingen, zich vasthielden aan hun eigen product en weigerden te voldoen aan de vraag van het publiek naar een lichtere soort textiel. Dit laatste was juist een specialiteit van de Vlaamse industrie.
Ook de opkomst van het protestantisme zal ongetwijfeld van invloed zijn geweest om Leiden als nieuwe woonplaats uit te kiezen. Leiden stond bekend om zijn tolerante houding ten opzichte van het protestantisme en om zijn vrijheidsdrang.

Toch waren deze omstandigheden voor onze voorouders nog geen directe aanleiding om te emigreren. Dat gebeurde pas na 1635 toen in een oorlog tussen Spanje en Frankrijk Vlaanderen opnieuw het toneel werd van oorlogshandelingen.

Vanaf par. 6 van deze bijdrage worden het maatschappelijke leven, het sociale leven en het godsdienstige leven van de stad Leiden onder de loep genomen. Aangezien onze voorouders zelf afkomstig waren uit de textielindustrie, wordt ruime aandacht besteed aan het productieproces in deze industrie in de zestiende- en de zeventiende eeuw.
Ten aanzien van het sociale leven worden de kosten van levensonderhoud vergeleken met de loonontwikkeling in die tijd. Ook komt de huisvesting en het milieu daar ter sprake. In par. 9 wordt ten slotte aandacht besteed aan het ontstaan van de Waalse Kerk te Leiden.

Bovenstaande gegevens zijn verkregen uit een tiental boeken, die ruime aandacht besteden aan het leven en werken van de burgerlijke bevolking in de zestiende en zeventiende eeuw. In bijlage A staan de literatuurgegevens vermeldt, die bij de totstandkoming van deze bijdrage zijn geraadpleegd.

De (fragment-)genealogie, die de basis vormt voor deze historische bijdrage, is opgenomen in een apart deel getiteld "Philip Culpaer en zijn nageslacht".